zaterdag 28 januari 2012

Transparantie

Wie het woord heeft bedacht, weet ik niet, maar als hij het merkenrechtelijk had gedeponeerd, was hij binnen geweest. Transparantie. Spreek het langzaam uit en je krijgt een vieze smaak in de mond. Van zoveel helderheid ga je zweten.
Transparant betekent eigenlijk "doorzichtig", maar wordt in een politiek-economische setting vaker vertaald als "zichtbaar". Het is zo'n tien jaar geleden in zwang gekomen toen een aantal bedrijven de boel onwaarschijnlijk fleste - Enron en Worldcom in de VS, Parmalat in Italië, Ahold en Worldonline in Nederland. Valse cijfers, frauduleuze winstverwachtingen, verstopte brieven, misleidende brochures. Als reactie op dit uit de hand gelopen utopisme van de vrije markt tuigden overheden wetten en regels op die de oermenselijke drift om ten koste van alles en iedereen te winnen moesten beteugelen. In Amerika heette die wet de Sarbanes Oxley Act (vaak liefkozend Sox genoemd), Nederland hield het op een code die werd vernoemd naar een van haar bedenkers, oud-Unilever topman Morris Tabaksblat.
Een van de pijlers van de code-Tabaksblat was het woord "transparantie". Als klanten, aandeelhouders en toezichthouders nu maar echt wisten wat er gaande was in een onderneming, zou het allemaal wel goed komen. Alles moest zichtbaar worden, de verwachtingen, de cijfers, de bonussen. Alsof van die zichtbaarheid enige beteugeling zou uitgaan.

De kinderboekenschrijver Paul Biegel schreef in 1974 het boek De vloek van Woestewolf dat hetzelfde jaar nog succesvol werd verfilmd als tv-serie. In de serie vertolkte de inmiddels overleden acteur Henk van Ulsen de hoofdrol van dokter Kroch, bij wie op een dag een kist vol goud wordt bezorgd. De brief die bij de kist zit, gooit de dokter ongelezen weg, omdat de afzender ervan, de hertog van Woestewolf, nauwelijks serieus kan worden genomen; hij lijdt namelijk aan goudkoorts.
Als twee struikrovers de kist met goud vervolgens roven, wordt de dokter gealarmeerd en besluit hij op zoek te gaan naar de hertog van wie niemand weet of hij echt bestaat. Desondanks blijft de dokter zoeken, ook al doen zich vreemde zaken voor. Spoken bestaan niet, gelooft Kroch. "Alles is te verklaren met wetenschap". Totdat hij er achter komt dat het goud van Woestewolf geen gewoon goud is. Je kijkt er dwars doorheen.

De regelgeving over transparante verslaglegging van de bedrijfsvoering beoogde eerlijkheid, bescheidenheid en verantwoordelijkheid. In de praktijk leidde zij vooral tot een vergroting van de bureaucratie (in het jargon corporate governance genoemd) en tot een exponentiële stijging van de bonussen. Toen Jan van bedrijf X er namelijk achter kwam dat Piet van bedrijf Y veel meer verdiende dan hijzelf (en dat stond met zoveel woorden zichtbaar in de financiële verantwoording), drong hij bij zijn raad van commissarissen snel aan op een substantiële verhoging van zijn gage. En anders zou hij wel naar het buitenland gaan waar je je kop met goed fatsoen wel boven het maaiveld mag uitsteken en waar het niet vies is veel te verdienen. Transparantie had zo een prijsopdrijvend in plaats van een nivellerend effect. Met alle gevolgen voor de huidige schuldencrisis van dien.

Het is spijtig dat economische wetenschappers en financiële consultants zo weinig kinderboeken lezen en niet eerder een keer een crèche zijn binnengestapt. Wie een gemiddelde peutergroep bezoekt, krijgt namelijk een glashelder inzicht (transparant!) in wat de mens ten diepste vermag. Twee woordparen horen daar onherroepelijk bij: "van mij" en "ik ook". Als Tom met de blokken speelt, pakt Marcel ze van hem af. "Van mij!" Als Stacy ziet dat Madeleine een barbie heeft, wil zij er ook één. "Ik ook!" Transparante verslaglegging van deze incidenten zal het gedrag van de kinderen niet veranderen. Een montere leidster die Tom en Marcel samen aan het werk zet, kan dat wel. "De blokken zijn van ons allemaal jongens." En Madeleine kan haar eigen pop voortaan maar beter thuis laten. Dat geeft rust op de groep.

Transparantie is als het goud van Woestewolf, je kijkt er dwars door heen. Doorzichtige zichtbaarheid is het en daarmee een tegenstelling in zichzelf. Jammer dat er op het World Economic Forum in Davos geen peuterleidsters aanwezig zijn.

donderdag 12 januari 2012

Bibliothecaresse

Terwijl ik op duizend meter hoogte in een Gasthof op een alm (dat is een weide) in Oostenrijk lag te slapen, afgesneden van de werkelijkheid door een ongekende sneeuwval die zelfs een tochtje naar het dal vrijwel onmogelijk maakte, droomde ik over Nederland. Ik wist toen nog niets over de reis die Rob Oudkerk had gemaakt naar Hong Kong, ik had zijn analyse over ons visieloze landje nog niet gelezen (de Volkskrant 8 januari 2012) noch het commentaar daarop van Volkskrant-journaliste Sheila Sitalsing. Oudkerk vindt ons slap, een eeuwige tweede, een hyperig, onbeschoft k.u.t. landje dat niet meer weet wat beschaving is. Een land zonder agenda, zonder visie, zonder moed.

Op de Oostenrijkse alm was Hong Kong ver weg, te ver voor mijn verbeelding. Ik droomde alleen maar over het land waar ik ben geboren, maar niet over zijn tulpen of zijn taal, zijn wolkenluchten of zijn dichters. Ik droomde - oh rijkdom van het onvoltooide - over de arbeidsmarktanalyse die het Research Centrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt eind 2011 publiceerde. Daarin stond dat het helemaal zo slecht nog niet gaat op de arbeidsmarkt in Nederland. Jongeren doen er alleen goed aan niet te kiezen voor een (loop)baan als jurist of journalist. En wat je in elk geval niet meer moet worden in 2012 is bibliothecaresse.
Omdat ik journalist ben, en jurist, is zo'n analyse natuurlijk altijd even slikken. Niet voor niets droomde ik erover. Ik herinner me de tijd dat ik afstudeerde en solliciteerde (nu twintig jaar geleden) nog goed. Honderden brieven, honderden afwijzingen. Mr.drs. en cum laude afgestudeerd met een stage aan de Sorbonne in Parijs, het maakte allemaal niet uit. Jurist en journalist, het was, ook twintig jaar geleden al, een qua arbeidsmarktperspectief hopeloze combinatie.
Het was niet erg. Het is niet erg. Wet en woorden vinden altijd hun weg. Het wordt alleen steeds moeilijker ze te vinden op de plaats die er ooit voor was bedoeld: de bibliotheek.

De bibliotheek was voor mij als kind, als scholier en als student niets minder dan het heilige der heilige. Het was de plaats waar kennis gratis voor het oprapen lag, een schuilplaats voor de zoekenden, een vindplaats voor de onwetenden. En voor wie dreigde te verdrinken in die overvloed van woorden, was er altijd de zwijgende engel achter de balie die vond wat onvindbaar leek: de bibliothecaresse. Alwetend, overtuigend en bescheiden wist zij geheimen te openbaren en leerde zij honderden, duizenden kinderen niet alleen hoe zij antwoorden konden vinden op hun vragen, maar ook hoe zij nieuwe vragen konden stellen. Een bron van eeuwige jeugd was zij, een verlangen naar weten en nog meer weten. Zij was de toekomst zelf, al was zij soms op leeftijd.
Zou het die alwetende bescheidenheid zijn die haar nu wordt verweten? Want de bibliothecaresse heeft in Nederland haar langste tijd gehad. Nederland wil geen denkers meer, maar doeners. Nederland wil geen lezers meer, maar ondernemers. Geen gratis kennis, geen stilte tussen de regels. Nederland wil niet zoeken, maar vinden, geen vragen, maar antwoorden. Hup, handen uit de mouwen en neuzen uit het boek. Dat doen ze in China immers ook, neuzen uit boeken halen. Dat heet censuur.

De Amerikaanse schrijver Michael Cunningham schreef in 1998 een boek waarmee hij de Pulitzer Prize won. Het heet The Hours en het gaat over drie vrouwen in drie verschillende tijdsgewrichten die van woorden leven en daarmee hun leven vormgeven. Eén van de vrouwen is gemodelleerd naar het voorbeeld van de schrijfster Virginia Woolf, de ander is een redactrice van een uitgeverij. De derde vrouw verlaat in de jaren vijftig haar jonge gezin in de VS en wordt bibliothecaresse in Toronto. Ze kiest niet voor een groot en wild meeslepend leven in een ondernemende wereldstad als Hong Kong, maar verdwijnt tussen de schappen in een haar onbekende stad. Het boek van Cunningham werd in 2002 verfilmd. Nicole Kidman won een Oscar voor de beste vrouwelijke hoofdrol. Zij speelde Virginia Woolf.

In mijn droom vloeide de arbeidsmarktanalyse van het ROA langzaam over in de uren van Cunningham, onwerkelijk als de metershoge sneeuw voor het raam. Zwetend werd ik wakker in het besef dat ik leef in een land dat de bibliothecaresse wegbezuinigt ten gunste van asfalt. Geen woorden maar wegen. Volgens mij noemen ze dat in Hong Kong visionair.

zondag 1 januari 2012

De voorbije tijd

El naufragio de los hombres, vertaald in het Engels als the Wreck of Men is een video-object van de Argentijnse kunstenaar Charly Nijensohn. Het bestaat uit een drieluik van filmbeelden waarop eenzame menselijke vormen in een adembenemend, desolaat landschap figureren. Nijensohn maakte de opnamen op een zoutvlakte in Bolivia waar armoede en commerciële zoutwinning het voortbestaan van de plaatselijke bevolking, de Aymara, bedreigen. Naufragio is letterlijk vertaald wrak, maar het Engelse “wreck” kan ook schipbreuk of ondergang betekenen. Zo zal Nijensohn het hebben bedoeld. Wie naar de beelden kijkt (en dat kan nog tot 15 januari in het Kröller-Müller museum) bekruipt het gevoel van een nederlaag. De figuranten in de installatie, allemaal Aymara, zijn niets meer dan schaduwen die slechts herinneren aan wat mensen moeten zijn geweest. Als kruizen staan zij stil in het landschap, geteisterd door slagregens en windvlagen. Wolken razen langs de hemel, zon en zout kleuren de grond, maar de mens blijft gezichtsloos als een leeg object, een symbool van tergende eenzaamheid en, inderdaad, verval. Op den duur, zo suggereren de beelden, zullen de figuren verweren in het veld. Gegeseld door de elementen zullen zij vergaan tot het zout waarop zij staan. Wat de mens vernietigt, zal de mens vernietigen. Totdat de aarde weer woest en ledig zal zijn, zoals het ooit begon.
  
De Aymara, een bevolkingsgroep van zo’n twee miljoen mensen, spreken een taal waarin de verleden tijd wordt gepresenteerd als iets wat voor ons ligt in plaats van achter ons. Zoals kinderen de verleden tijd soms gebruiken om aan te duiden wat zij van plan zijn te gaan doen - “en dan was jij de juffrouw en ik het kind en dan stuurde jij mij weg” - zo formuleren de Aymara hun verleden als hun toekomst, de voorbije tijd als hun toekomende. Misschien dat wij op een soortgelijke manier het voorbije jaar 2011 kunnen vertalen in het komende jaar 2012. Het jaar waarin zo veel wat van waarde is schipbreuk leed - de kunsten, de geestelijke gezondheidszorg, het vertrouwen in de rechtspraak - verdient het opnieuw te worden geleefd, als constructie van verlangen naar iets dat niet alleen wordt afgebroken, maar ook wordt opgebouwd, niet alleen vergaat, maar ook vrucht draagt. Met het in beeld brengen van het verval van de zoutvlakten in Bolivia en het volk dat daar woont, heeft Nijensohn pijnlijk prachtig laten zien hoe noodzakelijk het is ons te blijven snijden aan schoonheid. Want dat is wat kunst doet. Schipbreuk leiden. Moge 2012 dat lijden verlichten.